Een kleine geschiedenis van een huisgemaakt restaurant
07-10-2019 / Carrera Culinair

Er was eens een Amsterdammertje – een kleine Piep – dat graag buiten speelde met bloemetjes, bijtjes, bomen en planten. Binnen stond ze het liefst in de keuken achter pannen heksenbrouwsels of zat ze boekjes in elkaar te knutselen. Groter groeide ze wel, echt veranderen deed ze niet, ze werd kok en wroette nog altijd graag in de aarde.

En zo komt het dat ik al heel lang geleden een huisje kocht in Frankrijk,
met een tuin zo groot dat ik er nooit in uitgespeeld zou raken. Zodra ik
nergens hoefde te koken reed ik erheen, meestal met B. Op een dag wilde ik
niet meer weg, niet meer terug naar de stad, en vroeg ik hem of we er voor altijd konden blijven. Ik zou er groenteboerin worden en de oogst leveren aan collega-koks, hij muzikant blijven – zo ver weg was Nederland nou ook weer niet. Zo gezegd, zo gedaan. Het wroeten gaf plezier én groenten die de mensen kwamen kopen. Die mensen vroegen of ik dat mooie groen niet ook voor ze wilde klaarmaken, en zo begon ik weer te koken. Voor ik het wist hadden we een koek-en-zopieterras voor fietsers en andere voorbijgangers: een tafel, een parasol en een koelkastje. Een hotelkamer voor wie niet verder wilde reizen en een restaurant voor iedereen die de groenten liever bereid op een bord heeft. En een kat, zonder laarzen. Dit is het verhaal van hoe dat is, een sprookje leven. Een verhaal over bouwen aan een restaurant waar alles zelfgemaakt is, zelfs het restaurant, een verhaal met zoete en zure kanten, soms een vleugje bitter, een drupje zoute traan. Net als in echte sprookjes zijn heksen vaak vermomd als lieve vrouwtjes en blijken kikkers vuurspuwende prinsen.